Maya in Palenque
Grote verweerde kalkstenen, verwerkt in verschillende bijzondere gebouwen en piramides, staken boven de groene jungle uit. Maya’s mond viel een stukje open van verbazing. Dit had ze een soort van verwacht, maar hoe groot het gebied was, als een bizar dorp waar mensen hadden gewoond midden in de jungle waarin ze nu stond, was toch verrassend. Het steeg haar een beetje naar haar hoofd, geloofde ze. Misschien hielp de hitte ook niet mee, dat wist ze eigenlijk wel zeker. Ze probeerde de bedrukte lucht te trotseren met een hoedje en zonnebril en probeerde rustig te blijven ademen. Ze mocht niet zeuren, vond ze. Ze was hier nu, eindelijk.
Haar aandacht werd naar de jungle getrokken. Die bomen! Hoe stoer ze erbij stonden. Ze werd er automatisch door aangetrokken; haar voeten reageerden stap voor stap en schoven richting de koele schaduw onder de bomen.
Een klein straaltje zweet kriebelde over haar rug. Oh, deze schaduw… ze wilde er nooit meer weg. Kon ze niet vanuit hier alles bekijken? De flinke boom in het midden stond er trots bij. Wie weet wat hij allemaal had meegemaakt, was hij er al geweest in tijden van de Maya’s? Ze raakte hem zachtjes aan. De wortels die boven de aarde uitstaken voelden stevig onder haar vingers. Het inspireerde haar op een gekke manier, alsof het een boom vol zelfvertrouwen was. Ze begon wat aan de wortels te duwen om te kijken of hij echt stevig stond: geen beweging in te krijgen. Wauw.
‘Guide?’ hoorde ze ineens van opzij.
‘100 pesos.’
Hoeveel was dat ook alweer? Vijf euro? Niet duur, maar ze schudde haar hoofd. Zij en gidsen, geen goed idee. Net doen alsof ze luisterde en achter iemand aan sjokken, dat kon ze nu niet opbrengen. Ze leunde wat op de boom, nog steeds onder de indruk.
Meerdere gidsen volgden. “Guide?” Ze dachten vast dat ze er een nodig had, want ze keek al niet eens met haar neus de juiste kant op en ze zat aan een boom te frunniken. Ze dachten vast dat ze niet helemaal goed was en ondersteuning nodig had.
“Non gracias.”
Ze probeerde de moed te verzamelen, wat heel sneu was, om de hitte in te gaan en de Maya-gebouwen te ontdekken. Ze was niet voor niets zo vroeg opgestaan om de drukte en voor haar vooral de hitte een beetje te omzeilen. Niet vroeg genoeg, bleek maar weer. Maar het was nu nog rustig, moest ze zeggen. Het was blijkbaar laagseizoen. Eerst had ze begrepen van een andere reiziger dat het niet warm genoeg was voor Mexicaanse mensen in deze tijd, wat bizar klonk. Van een ander begreep ze dat het Orkaanseizoen was. Waar zij geen weet van had gehad. Mensen ontweken die liever, heel begrijpbaar.
Ze keek naar de gebouwen en nam een momentje om zich voor te bereiden. De gidsen lieten haar nu ook met rust, nu ze in ieder geval met haar neus de goede kant op stond.
Oke, let’s go.
Op naar het eerste bordje. In een aantal verschillende talen stond erop dat dit een tempel was met een graf. Cool. En ze mocht het betreden, ook cool!
Traptreden leidden haar een weg omhoog, als een soort piramide met bovenaan de tempel. Het waren brede traptreden en ze stelde zich voor hoe de Maya’s met hun kortere beentjes deze trap hadden betreden. Was dit echt voor hen gebouwd? Ze ademde steeds iets zwaarder. Twee straaltjes zweet liepen nu over haar rug, tot ze de toegang bereikte.
“Aaah.”
Een verkoeling kwam haar tegemoet. De koelte van de ruimte ontmoette haar lichaam met een koud briesje dat ze alleen kende van kelders.
Twee toeristen kwamen net naar buiten door het smalle gangetje. Eentje drukte haar per ongeluk tegen de koele muur van stenen met een bezweet, zwaar lichaam.
“Woeh!” ontsnapte haar mond.
De volle man keek haar verrast aan. “Excuse moi,” mompelde hij.
Ze maakte een gebaar van maakt niet uit joh, maar eigenlijk vond ze het lastig dat ze nu al dat zweet van iemand anders op haar arm had zitten. Even negeren. We zijn in een eeuwenoude Maya-grafkamer.
Ze volgde het leistenen gangetje tot een ruimte die schijnbaar precies aan elkaar gespiegeld was. Ze liet haar vingers over de robuuste stenen glijden terwijl ze richting het graf liep. Een tombe, of hoe noemen ze dat? Ze had zich al afgevraagd wat er echt in de gebouwen zat.
Boven haar zag ze houten pilaren die de stenen ondersteunden. Zat dat er echt al zo’n 2000 jaar in? Verrot hout niet soms? Ze voelde plots iets nats onder haar vingers waar ze langs liep: een vochtige steen waar zich een klein laagje water op vormde. Ze streek er een paar keer met haar hand overheen; dat vond ze dan weer intrigerend. Anders dan zweet van een ander.
Ze liep stap voor stap verder en voelde zich, ondanks dat ze lang was, toch klein in zo’n stille, koele Maya-tempel. Alsof ze een poort betrad naar het verleden en naar het dodenrijk.
Bij het graf aangekomen zag ze dat het leeg was, wat logisch was. Wat had ze dan verwacht? Botjes, een schedel? Alles wat de andere Maya’s de overledene hadden willen meegeven naar de onderwereld?
Ja.
Dat had ze verwacht.
Ze hadden het hier ook kunnen laten liggen in plaats van het naar een museum te verplaatsen, vond ze. Dat was bijna hetzelfde, ja toch?
De Rode Prinses, las ze, had hier gelegen.
Had zij niet gewoon hier willen blijven liggen? In haar eigen graf? Als zij de Rode Prinses was geweest, had ze het wel geweten. Rustig, koel, trappen zo breed dat er waarschijnlijk weinig Maya’s echt naar haar toe zouden komen.
Deze toeristenstroom had ze natuurlijk nooit verwacht, zo’n 2000 jaar later, maar toch.
Ze hoorde stemmen achter zich het smalle gangetje doorkomen.
Het was tijd om te gaan.
Ze knikte het lege graf nog even toe, van een prinses die er al lang vandoor was. Als je in een grafkamer bent, voelt dat gepast.
Lees verder met Maya’s volgende avontuur, of bekijk de kaart die uit deze reis is ontstaan.