Maya bij de Maya’s

Maya in Chichén Itzá

Ze vroeg zich af of de Maya’s dit oké hadden gevonden, als ze wisten hoe massa’s toeristen hun heilige plekken bezochten. Of hadden ze het juist vleiend gevonden?

Maya had twee keer entree moeten betalen, geen idee waarom, en nu liep ze hier. Op weg om een werelderfgoed te bekijken, net als de rest van de mensen om haar heen. Waarom had ze die enorme drukte niet zien aankomen? Het ging toch om een werelderfgoed, hallo. Ze had ergens gelezen dat je juist ’s ochtends heel vroeg moest gaan, maar de busreis vanuit Valladolid was al meer dan een uur geweest en ja, ze was nou eenmaal geen vroege vogel. Nu betaalde ze ervoor.

Ze veegde langs haar verhitte voorhoofd, waar zweetdruppeltjes zich vormden, en trok aan haar broekspijp alsof dat frisse lucht zou brengen. Welke frisse lucht?

Nou, niet zo zeuren. Ze was op weg en heel dichtbij een werelderfgoed. Een wereldwonder?

Plots schrok ze op. Wat was dat geluid? Er klonk een oorverdovende brul. Was dat een jaguar of een brul van een aap?

“Madame, 50 pesos.”

Een man bij een kraampje lachte vertederd naar haar alsof hij een baby had laten schrikken met een potje kiekeboe. Dit was geen kiekeboe. Dit was serieus.

Hij hield een soort compact houten blaasinstrument in zijn hand. Kwam daar dat geluid uit? Dat zou ze nog niet eens meenemen als ze er geld bij kreeg. Wat deden ze deze plek aan? Overal popten toeristenkraampjes op met kleurige souvenirs. Eén kraampje was schattig, maar vijftig… en ze verkochten allemaal hetzelfde.

Maya drukte haar grote zonnebril tegen haar neus, alsof dat haar onzichtbaarder maakte voor de verkopers. “Nein, non, ne, nee,” mompelde ze, bij elke ‘ madame’ die ze hoorde en ze hoopte zo snel mogelijk bij de gebouwen van de Maya’s te komen.

Ze wilde net haar hoed verder over haar hoofd trekken tegen de hete zon toen ze de grote piramide zag opduiken. Wow.

Het tweede wat haar opviel waren de toeristen die als een kolonie mieren om het bouwwerk heen cirkelden. Ze negeerde het en voelde zich, heel even, alleen met het wereldwonder. Alsof ze de geschiedenis was binnengestapt en bijna de Maya’s hier kon zien rondlopen. Ze kon bijna de wierook van hun rituelen ruiken en hoorde even geen “hello, madame, ten pesos” of nep-brulaapgeluiden meer.

Ze liep dichterbij met de stroom mee. Ze moest pal de zon in om de informatiebordjes te kunnen lezen. Blijven ademen, doorlopen, negeren, dacht ze terwijl het stoffige zand om haar enkels waaide. Zelfs een wereldwonder kon haar ongemak in de volle zon, zo dichtbij de evenaar, niet wegnemen. Het bordje zei ongeveer alleen dat het een piramide was. Oké.

Naast zich hoorde ze een gids in het Engels iets vertellen over slangen die de piramide “opgaan” en dat je, als het licht precies goed valt, dat heel goed kunt zien. Ze keek geïnteresseerd mee naar waar de toeristen wezen en zachtjes “oh ja” mompelden. Maya volgde hun vingers, maar ze zag het niet. Waar moest ze kijken? Oh ja, natuurlijk geen echte slang, daar was blijkbaar de stenen kop. Maar het lichaam? Geen idee.

Ze moest terug naar de schaduw; het gevoel van een bouwlamp recht op haar blanke velletje was nu even genoeg.

In de schaduw vond ze een aantal picknicktafels en was ze verrast hoe weinig er bezet waren. Blijkbaar hadden anderen het minder nodig dan zij. En ze was er nog maar net. Ze wilde het hele gebied nog bekijken, zeker weten. Maar eerst even afkoelen.

Ze keek om zich heen en trok haar warme schoenen uit. Ze had maar één paar meegenomen vanwege het “lichte pakken”. De volgende keer toch sandalen meenemen. Pfoe.

Haar oog viel op een kolonie mieren naast haar. Ze volgde met haar ogen de rij die op weg was naar een boom, en vanaf de boom kwam een tegengestelde rij mieren terug richting hun holletje. Ze waren groot en droegen allemaal een stukje blad. Soms net zo groot als hun lichaam. Soms nog groter.

Maya’s blik bleef hangen bij twee mieren die samen een veel te groot blad probeerden mee te zeulen. Het lukte niet echt; ze klungelden waarbij het blad maar een millimeter per keer vooruit ging. Ze probeerden verschillende posities, maar de vaart kwam er niet in. Ze was oprecht benieuwd hoe dit afliep. Uiteindelijk lieten de mieren het blad precies op de route vallen, waardoor de andere mieren er omheen moesten manoeuvreren. De twee gaven het op en liepen verder.

Ze grinnikte. Op de een of andere gekke manier voelde ze zich meer verwant met die twee mieren dan met de toeristenmassa bij het wereldwonder.

Lees verder met Maya’s volgende avontuur, of bekijk de kaart die uit deze reis is ontstaan.